Dit is hoofdstuk 16 uit Kent Nerburn’s boek; ‘The Girl who sang to the Buffalo’. De laatste van het drieluik. 1. Neither Wolf nor Dog en 2. The Wolf at Twilight. Kent vertelt het verhaal, Grover is zijn indiaanse ‘vriend’, hoewel er uit geen van de boeken een echte vriendschappelijke relatie bleek (zie boek 1 en 2). Grover is een moderne indiaan die woont op het reservaat. Hij heeft niets met blanke ‘indringers’ zoals newagers en dergelijke. Kent Nerburn was voor hem ook zo’n indringer, vooral omdat hij zich, weliswaar ongewild, bemoeide met Grover’s dierbaren. Als er gesproken wordt over ‘de oude man’, heeft Grover het over Dan, de hoofdpersoon in de drie boeken. Dan heeft Grover opgedragen om met Kent Nerburn te praten om te zorgen voor een beter onderling begrip.

We reden noordelijk van de stad over een donkere weg. De gloed van de schemering verdween langzaam en de sterren begonnen zich te tonen. De contouren van de maan werden langzaam zichtbaar boven de Dakota heuvels. Mijn nieuwsgierigheid was groot maar ik wist wel beter dan Grover verder te bevragen. Ik had lang geleden al geleerd om hem niet te pushen als het om belangrijke zaken ging en wat hij op zijn lever had leek belangrijk.

Na een paar mijl in alle rust te hebben gereden, minderde hij snelheid en stuurde de Buick een karrenspoor op. We ratelden over een wildrooster en daalden af over een hobbelig pad in de richting van een schaduwrijk groepje bomen. Ik begon me zorgen te maken over de stilte en toenemende eenzaamheid.

“Okay, wat is er aan de hand?” Vroeg ik zo ongedwongen mogelijk.
“Ik heb jou wat te zeggen en jij hebt mij wat te zeggen.”
“En dat konden we niet doen bij het tankstation?”
Hij schudde zijn hoofd en hield zijn ogen gericht op het pad. “Nope.”

Het pad was uitgesleten en bestond uit twee diepe sporen. Kleine gronddiertjes renden door het gras voor ons, verlicht door de zwakke kegels van Grover’s koplampen. We passeerden een groep knoestige, onvolgroeide eiken en lage struiken en kwamen tot stilstand op een open plek aan de rand van een klein, traag stroompje. Het leek op een plek waar jongelui samen kwamen voor een ‘late night’ slem partijtje of waar jongens parkeerden voor een vrijpartijtje met hun vriendin. Bierblikjes en gebruikte condooms lagen overal verspreid.

“Dus dit is de plek waar we moeten praten?” Vroeg ik.
“Yep”.
“Is er iets speciaals aan deze plek?” Zei ik toen hij de auto stopte en de lichten uitdeed. Ik was mijn dunne laagje nonchalance aan het verliezen.
“Straks.”
Hij stapte uit de auto en hinkte naar de open plek aan de rand van de kreek en begon twijgjes op te rapen. “Verzamel wat hout,” zei hij.
Ik raapte stukjes dood hout van onder de eiken. Hij bouwde een kleine tipi met het hout en stak het aan met één enkele lucifer. In een paar minuten gloeide en knetterde een klein vuur in de groeiende duisternis.

Grover wees naar een stronk aan de andere kant van het vuur. “Ga zitten,” zei hij.
Hij ging zelf op zijn knieën zitten, nam een ​​pouch uit zijn achterzak, en maakte een kleine piramide van wat leek op tabak op de grond tussen ons in. Zijn acties waren gericht en zorgvuldig. Hij sprak zachtjes in Lakota.
Hij nam een tweede substantie uit zijn borstzak, voegde het toe aan het stapeltje. Hij nam een brandende twijg uit het vuur en stak het hoopje kruiden aan en al die tijd bleef hij Lakota spreken. De zoete geur van tabak en salie steeg op in de nacht.

Toen de kruiden goed brandden, leunde hij terug en knikte naar de smeulende piramide. “Weet je wat dit is?” vroeg hij.
“Tabak? Salie?”
“Weet je wat dat betekent?”
“Je roept de schepper aan.”
“Dat klopt. Het betekent dat we stoppen met onzin uitkramen. Wij allebei. Het is tijd voor de waarheid.”

Hij raakte zijn borst aan met zijn hand en keerde de palm naar mij alsof hij zijn hart naar me toe gooide. “Dit is van man tot man. Als we spreken mag niets ons hart vertroebelen.”
Het was ongewoon voor Grover om geen grappen maken. Wat hij ook op zijn hart had, het was niet te onderschatten. Ik maakte dezelfde beweging met mijn hand en hoopte dat ik het juiste deed.

“Luister nu goed naar me,” zei hij. Hij sprak langzaam en duidelijk. “Ik weet niet waarom je hier bent. Maar er is een reden voor en ik wil dat je me die gaat vertellen voor we hier weggaan, akkoord?”
Ik begon te antwoorden, maar hij onderbrak me. “Voorzichtig nu, geen onzin, okay?” Hij wees naar de tabak rookpluim die langzaam naar de lucht opsteeg.
“Mee eens,” zei ik schoorvoetend.

“Goed,” zei hij. “Maar eerst moet ik praten. Dit is niet makkelijk voor mij en ik vind het niet leuk. Maar de oude man liet me beloven dat als ik je weer zag, ik de schaduw tussen ons in staat, weg zou nemen. Hij zei dat de mensen die een rol in zijn leven hadden gespeeld niet kwaad op elkaar moeten blijven. Hij zei dat hij wilde dat alles zou worden opgehelderd voordat hij overleed. Ik gaf hem mijn woord, en ik wil mijn woord niet breken.”

“Dus dat is de reden dat je ons hierheen hebt gebracht?”
“Dat klopt, ik wil de wensen van de oude man nakomen en ik wilde het doen in de vrije natuur van de schepper en niet op een parkeerplaats naast een stompzinnig stoplicht.
Hij blies in het hoopje gloeiende tabak en salie tot een dun sliertje rook omhoog kronkelde. “Ik ga eerst praten en jij luistert. Je mag me onderbreken als je iets belangrijks kwijt wilt, maar je luistert vooral. Het zal een tijdje duren, maar ik ga alles wat me dwars zit op de grond tussen ons plaatsen. Als ik klaar ben is het jouw beurt en plaats jij alles wat je dwars zit tussen ons op de grond. Begrepen?” “Ja,” zei ik.

Hij wees naar het bergje smeulende kruiden en volgde met zijn vinger de opstijgende rook tot hij naar de hemel wees. “Denk eraan, de schepper luistert.” Hij strooide wat tabak voor hem op de grond en rechtte zijn rug. “Jij denkt dat ik je niet erg mag,” begon hij.
“Inderdaad.” Antwoordde ik. “En dat is wederzijds. Ik respecteer je, maar ik hou niet van sommige van jouw maniertjes.”
“Goed,” zei hij. “Je praat openhartig. Daar houd ik van.” Hij strooide nog wat tabak op de grond voor hem. “Herinner je je wanneer je voor het eerst op het reservaat kwam?”
“Als de dag van gisteren.”
“Dat geldt ook voor mij. Dat was een moeilijke tijd voor me. Nog een blanke op onze stoep, vol van ‘help de indiaan’ en dat soort onzin. Je kwam hierheen om een oude te bezoeken die ik vereer als een vader.”

“Ik kwam alleen maar omdat Wenonah het me vroeg. Dat wist je.” “Yeah, dat wist ik, maar toch vond ik het maar niks en zij ook niet.”
“Maar waarom belde ze me dan?”
“Omdat haar grootvader dat wilde. Als een oudere je zegt iets te doen, dan doe je het. We vonden allebei dat de oude man een grote fout maakte. Hij kende je niet. Wij kenden je niet. Niemand kende je. Het is niet de indiaanse gewoonte om zomaar een blanke te vertrouwen. Het heeft een indiaan nooit geschaad voorzichtig te zijn met een Wasichu. We leerden veel van de dieren rondom ons. We houden ervan eerst lang gade te slaan voor we dichterbij komen.
Maar de oude man ziet die dingen anders. Hij ziet in alles een boodschap. Een overvliegende vogel is een boodschap, een hond die twee maal blaft naar het oosten is een boodschap. Hij was op zoek naar iemand om zijn verhaal te vertellen. En toen zag hij de ‘Red Road’ boeken die je samen met de jongeren van het Red Lake reservaat had gemaakt en hij zag dat Fatback (Dan’s hond – red.) je graag mocht en hij hoorde dat je dezelfde leeftijd had als zijn gestorven zoon. Toen dacht hij dat dit een rechtstreekse boodschap was van de schepper. Hij was klaar om je zijn leven toe te vertrouwen.”

Hij spuugde in het vuur.
“Wel, Wenonah en ik waren het hier niet mee eens. We zijn het niet dikwijls eens. Maar we zijn allebei bereid ons leven te geven voor de oude man. We werden bezorgd toen we zagen hoeveel hij jou vertrouwde. Dus zei ik, laten we die ‘white boy’ een beetje een moeilijke tijd geven en proberen hem terug naar huis te jagen. En ik heb het geprobeerd. Ik heb je aardig dwars gezeten. Ik ging er vanuit dat je met een paar dagen weg zou zijn. Maar je bleef. Je kwam steeds terug om te proberen de oude man te helpen. Jij en je verdomde cassette recorder. Vrij snel realiseerden we ons dat je hem echt mocht. Het maakte niet uit dat hij indiaan was. Je mocht hem als een man.”

“Hij deed me een beetje denken aan mijn vader,” zei ik.
“Wat dan ook,” vervolgde Grover. “Een feit was dat je bleef. Je bleef maar je drong niet aan. Je respecteerde hem. Je respecteerde de taak die hij je had opgedragen. Je respecteerde de afstand die er was tussen ons en jouw mensen. Je had geduld en hield je mond.”

“Ik was een gast. Ik wilde me niet bemoeien met zaken die me niets aangingen.”
“En dat was goed van je. Dat hielp me om jou te leren respecteren. Maar ik vertrouwde je nog steeds niet. Er was iets aan je dat ik niet kon thuis brengen. De meeste blanke mensen die naar het reservaat komen zijn makkelijk te doorgronden. Ze neuzen rond en stellen de vreemdste vragen en willen heel snel ‘dichterbij komen’.”

“Kan ik meedoen aan een zweethut of een andere ceremonie? Kun je me een indiaanse naam geven? Hoe kan ik een adelaarsveer verdienen? Ze nemen een doos gebruikte kleren mee en denken dan dat dit hen het recht geeft om hun neus in allerlei zaken te steken. Of ze komen hier als nep indianen met paardenstaarten en hebben het over de ‘Grote Geest’ en claimen dat ze in een vroeger leven indiaan waren, bij voorkeur een Cherokee Prinses, of ze hadden een Lakota grootmoeder.”

“Jij was zo niet. Je was een beetje zeurderig, maar verder bleef je jezelf. Ik kon je niet goed peilen. Het leek alsof je vol zat met respect, maar er hing iets om je heen, alsof je misschien vond dat je beter was dan wij. Alsof je een achterbuurt bezocht. Het voelde bijna alsof je een antropoloog was – dat je meer naar ons kéék dan mét ons wilde zijn. Toen ik je beter ging leren kennen realiseerde ik me wat er echt aan de hand was. Je gedroeg je niet voorzichtig uit respect, maar omdat je bang was.”

Ik was geschokt door wat hij zei. “Wat bedoel je, bang? Bang waarvoor?”
“Je wilde niemand kwetsen.”
“Nou, wat is daar verkeerd aan?”

“Het was de manier waarop je het deed. Je was bang om voor jezelf op te komen. Je deed altijd een stapje terug als iemand je te na kwam. Je was het eens met dingen waar je niet in geloofde, zodat ze niet kwaad op je werden. Ik zei de stomste dingen alleen maar om jou te beledigen, het blanke ras te beledigen, je razend maken. Maar je ging er nooit op in, je werd nooit kwaad, zelfs als je wist dat wat ik zei niet deugde.
Dat is niet een teken van respect, dat is een teken van angst, het tegenovergestelde van respect. Je respecteerde me niet eens voldoende om me de waarheid te zeggen. Verdomme, het gaf me zeker niet het vertrouwen dat jij degene was die de oude man zijn verhaal moest opschrijven.”

“Ik wist dat er mensen boos zouden zijn over de uitspraken van de oude man. Boos over wat hij zei, boos dat hij het door een blanke liet opschrijven. Ze zouden proberen hem te vinden om hem te zeggen wat ze van hem dachten en ze zouden jou op je nek springen om de manier waarop je de dingen deed en ze zouden jou dwingen om dingen te vertellen die niet naar buiten mochten komen. Ik was bang dat je zou bezwijken onder de druk. Ik dacht niet dat je dit allemaal aan zou kunnen.”

“Wel, dat was tien jaar geleden. Denk je er nog steeds zo over?”

“Een beetje. Neem bijvoorbeeld die hippie sieraden dame vandaag. Ze claimt onze spiritualiteit en verkoopt het als ‘liefdes pakketjes’. Dat is verkeerd en je weet het. Maar je ging de confrontatie niet aan. Je had haar direct hierover kunnen aanspreken. Jij bent een blanke man; ze zou naar jou hebben geluisterd. Maar je stond daar maar de vriendelijke zachtaardige man uit te hangen en vertelde haar dat haar spulletjes mooi waren. Haar niet beledigen was belangrijker voor je dan onze cultuur te beschermen.
Stel je voor dat ze communie hosties zou verkopen als kaas crackers tijdens een cocktail partijtje? Zou je je omdraaien en doen alsof je het niet ziet? Soms is verkeerd gewoon verkeerd en er begripvol over doen maakt het alleen maar erger.”

Hij stond op en rekte zich uit.
“Denk eens terug, Jaren geleden toen ik je vertelde dat je soms moet doen wat noodzakelijk is op dat moment en niet wat je het liefste zou doen. Dat heb je te weinig gedaan, je wilde gewoon aardig gevonden worden. Je wilde gewoon uit de vuurlinie blijven. Volg je me?”

“Ik volg je, maar ik weet niet zeker of ik het met je eens ben.”

“Wel, vertrouw me. Een man kan niet de vorm van zijn eigen huis zien als hij er in staat. Ik probeer alleen maar met je op één lijn te komen.”

“Okay, Ik begrijp wat je zegt, maar ik begrijp niet waarom je het zegt. Wat heeft dat te maken met  ‘de schaduw die tussen ons is’ wegnemen?”

“Ik probeer je uit te leggen waarom ik altijd zo grof tegen je ben. Waarom ik je niet vertrouw bij de oude man.” Hij wreef over zijn kin, alsof hij nadacht.
“Maar dit is twee richting verkeer. Zo wil de oude man het. Ik ga je nu duidelijk maken wie ik werkelijk ben. Ik vind eigenlijk dat het je geen donder aangaat en ik doe het niet graag. Maar de oude man wil de schaduw kwijt, dus ik ga het doen voor hem. Misschien helpt het jou een paar dingen te begrijpen.”

Hij piekte de peuk van zijn sigaret in de stroom. De as siste, lichtte even op en verdween in het donker. Hij inhaleerde de rook langzaam, alsof hij lang nadacht over wat hij ging zeggen.

“Om dit te kunnen doen moet ik wat terug in de tijd gaan. Ik heb hier de hele rit over nagedacht en dit is volgens mij de manier om het van me af te praten. Ik moet terug naar de tijd voordat de blanken onze wereld verscheurden. Spits je oren en luister goed. Doe niet zoals zo veel blanken, net doen of je luistert maar eigenlijk alleen maar wachten tot je wat kunt zeggen.” Ik knikte instemmend. “Okay, dit doe ik voor de oude man.” Hij strooide wat meer salie en sweetgrass op het vuur.

“In vroeger tijden, wat de elders noemen ‘the long-ago days’, werkte de hele gemeenschap samen. Iedereen zorgde voor iedereen. Er werd op de kinderen gelet, gekeken wie de leiders waren, welke kinderen met de dieren spraken, welke rondhingen bij de ouderen.
Ze bekeken ons om uit te vinden wat speciaal was aan ons en ze probeerden onze gids te zijn. Ze zorgden dat we goed werden onderwezen om het juiste levenspad te volgen. Ook wachtten ze soms tot we onze ‘hanbleceya’ (vision quest) hadden volvoerd om te zien wat voor visioen we mee terug brachten. Dan kregen we een naam waarmee we verder het leven in moesten. Alles gebeurde waar de hele gemeenschap bij was. Zo zou iedereen weten wie we waren en hoe we werden opgevoed om ons volk behulpzaam te zijn.”

“Toen de blanken kwamen en ons in kostscholen stopten, veranderde alles. Ze wilden niet dat we aan ons volk dachten, maar alleen aan onszelf. ‘Je moet jezelf voorbereiden op de hemel’ zeiden ze. ‘Luister niet naar jullie ouderen, vergeet vroeger, dat waren de manieren van de duivel’ vertelden ze ons. Ze pakten onze namen af die ons waren gegeven en al de kracht die hier bij hoorde. Ze knipten ons haar kort, ze gaven ons vreemde kleren, stalen onze taal en braken onze harten. Ze leerden ons te haten wie we waren en waar we vandaan kwamen. Vrij snel wisten we niet meer wat te geloven of wie we waren.
Na een paar van zulke generaties valt alles uit elkaar. De kinderen vertrouwen de ouderen niet meer, de ouderen begrijpen de kinderen niet. Er is geen band meer. De taal van de dieren wordt niet meer begrepen, de kennis van de traditionele medicijnen en ceremonies gaat verloren. Ze schamen zich voor de oude gebruiken en geloven niet in de nieuwe. Ze zijn verloren en hebben niets.”

“Zo was de situatie toen ik werd geboren. Er was drank misbruik, families vielen uit elkaar. Hell, de mensen vergaten zelfs wat familie betekende. De blanke kerken en de blanke regering hadden onze harten uitgerukt. De vrouwen waren opgevoed door die verdomde nonnen in hun pinguïn jurken en oude blanke mannen met gele tanden in plaats van door hun grootmoeders. De mannen hadden hun hele reden van bestaan verloren, afgenomen door de overheid. Ze mochten de eigen taal niet meer spreken en hun eigen spiritualiteit niet meer beoefenen en hun kinderen niet meer onderwijzen in hun oude gebruiken.”

“Geen werk, geen mogelijkheid je familie te onderhouden, gewoon niets. Alleen maar wat rondhangen en wachten tot de blanke man je genoeg toestopte om het uit te zingen tot de volgende keer dat hij kwam om je meer te geven. Het alternatief was weggaan, je haar afknippen, schoenen aantrekken, je paard schoenen aandoen tot verdomme bijna niets en niemand meer de aarde aanraakte en net doen of je een blanke bent.
Ons leven was één grote schande.
Zo waren mijn ouders. Mijn vader hing maar wat rond, mijn moeder leefde met de fles. Ook vochten ze met elkaar. Dan verdween mijn vader en was weken weg. Als ie sober was, was hij een goed mens, maar hij wist niet hoe hij een vader moest zijn. Met mijn moeder was het hetzelfde. Ze had nooit de kans gehad om van haar grootmoeders te leren. Ze was opgevoed door de pinguïn nonnen en die wisten niets over hoe je een goede moeder moest zijn. Alles wat ze wisten was Jezus, Jezus, Jezus en een beetje heilige maagd, een andere dame in zo’n pinguïn jurk. De enige keren dat mijn ouders me aanraakten was om me te slaan. Ze brachten slechts in de praktijk wat hen was geleerd.”

“Het was niet makkelijk en ik vond het niet fijn, maar ik dacht er niet over na. Zo was het nou eenmaal. Als ik opstond was mijn moeder al stomdronken en mijn vader was weg. Als ik dan een ontbijt voor mezelf wilde maken, bleek dat er niets eetbaars in huis was. Ik ging dan voor wat eten naar mijn tante en dan zaten daar een paar ooms mijn kleine neefje bier in een babyflesje te voeren en er samen hard om te lachen.
Op een dag werd ik door iemand gevonden, terwijl ik probeerde wat eetbaars uit een paar blikjes in een vuilnis container te schrapen. Ik had geen schoenen aan en er lag sneeuw op de grond. Ze namen me mee en brachten me naar zo’n kostschool. Ik was acht jaar.”

Grover haalde diep adem en staarde weg in de nacht. Ik kon zien hoe moeilijk dit voor hem was. Hij stond op, wandelde naar de oever van de beek, draaide zich om en wandelde terug. Hij ademde nogmaals diep en ging verder met zijn verhaal.

“Vanaf dat moment, was dat alles wat ik kende. Een kleine jongen in een leger uniform die moest doen wat oude blanke mannen met stinkende adem en vrouwen in vogel jurken die me sloegen met linialen zeiden. Ik schreef letters naar mijn moeder om haar te vragen me daar weg te halen en dan wachtte ik op antwoord, dat nooit kwam. Dag na dag hoopte ik op een brief van mijn moeder. Ik huilde mezelf iedere nacht in slaap denkend dat mijn moeder dood was.
Het bleek dat de school mijn brieven nooit verzond. Ze verstuurden niemands brieven. Ze waren bang dat we zouden schrijven hoe slecht het was op de school. De enige keer dat ze een brief zouden sturen was om te zeggen; uw kind stierf gisteren aan de pokken, of zoiets. Dan zouden de ouders komen om het lichaam op te halen. We zagen het door het raam, huilende ouders die hun dode kind meenamen. We doken allemaal terug in bed en verborgen ons hoofd onder het kussen en probeerden te bidden tot die Jezus, dat hij ons niet zou laten sterven ver van onze families.”

“Zo was het, al de tijd dat ik opgroeide. Ik werd nooit geknuffeld. Niemand hield me ooit liefdevol vast. Er werd nooit een ceremonie voor me gedaan, ik leerde niet over vroeger tijden, deed nooit een vision quest. Mij werd nooit geleerd hoe een vader, een man te zijn. Mij was verteld dat als ik niet geloofde in een man in de woestijn, dat ik voor altijd zou branden in een vuur dat nooit uit zou gaan.”
Hij schudde met de hand waarin hij zijn sigaret hield naar me. “Eens vond een priester dat ik niet hard genoeg bad. Hij pakte mijn hand en drukte zijn sigaret daarop uit.” Hij zei; ‘En hoe voelt dat? Als je niet goed bid ga je naar een plaats waar je hele lichaam dat voor altijd zal voelen.’ “God, ik wilde huilen, maar ik wilde niet dat die hoerenzoon tranen uit mijn ogen zou zien komen.”
Grover staarde naar zijn handpalm. “Soms denk ik dat ik nog steeds het litteken  kan zien waar die ‘heilige’ bastaard me brandde.”

Hij gooide de sigaret weg in de duisternis, alsof hij daarmee ook de herinnering weg gooide. “Ik leerde al vroeg dat de wereld niet voor me zou zorgen, Nerburn. Dus leerde ik sterk te zijn, om niemand nodig te hebben. Ik leerde om orders op te volgen, om dapper te zijn.”

Hij stond weer op en keek op naar de met sterren bezaaide hemel.
“Ze spraken over Jezus en liefde in die school, Nerburn. Wel, er was een hele hoop Jezus, maar geen liefde. Er waren alleen maar regels. Ze hadden die Tien Geboden overal rondom opgeplakt, met al dat gedoe over ‘begeren’ dit en ‘begeren’ dat. Ik wist absoluut niet waar ze het verdomme over hadden. Alles wat ik wist was dat goed zijn niet betekende het juiste te doen. Het ging erom niet het verkeerde te doen. En het ging zeker niet over de mensen om je heen te helpen, zoals het vroeger was. Het ging alleen maar over het volgen van de regels.
Zo was het voor mij als kleine jongen, Nerburn. Iedere dag weer. Ik was bang om dood te gaan. Ik was bang om geslagen te worden. Ik was bang om te branden in het vuur van de christelijke god. Ik was bang te sterven in het bed van een blanke, omgeven door vogel vrouwen en mannen met gele tanden.”

“Ik was bang en eenzaam en ik wist niet wie ik was. Ik wist niet wie ik zou moeten zijn. Maar ik wist wat ik werd verondersteld te doen. Ik moest de regels volgen. Dus dat is wat ik deed. Dat is alles wat ik deed. Ik zei niets, ik deed niets, ik lachte niet en ik huilde niet. Alles wat ik deed was mijn mond houden en de regels volgen. Toen ik zestien was vluchtte ik en ging in het leger. Ik dacht, een soldaat zijn ging over sterk zijn en de regels volgen en ik wist dat ik daar verdomd goed in was. Maar ik wilde zover mogelijk van het reservaat weg. Dus in plaats van de landmacht ging ik bij de marine. Ik dacht, op een schip midden op de oceaan was ik zo ver weg van die bastaard priesters als maar mogelijk is.”

“Ik was een geweldige matroos, dat kan ik je wel zeggen. Altijd het schoonste uniform. Ik vertoonde nooit afwijkend gedrag. Daarbij kreeg ik ook de mogelijkheid om ‘oude’ gebruiken in praktijk te brengen. Ik kreeg de kans om een krijger te zijn. Tenminste, dat dacht ik. Maar ik wist in mijn hart dat ik maar een halve krijger was. Ik was sterk en streng, maar dat is niet de betekenis van een krijger. Een echte krijger verdedigt de zwakken en helpt de ouderen. Ik diende het land, maar dat land betekende totaal niets voor me. De grond, jazeker, maar het land, absoluut niet. Wat betreft het volk, mijn volk, voor hen was ik er niet. Ik deed slechts wat ik op de kostschool had geleerd; sterk zijn en orders opvolgen.”

Hij pauzeerde even om te zien of ik nog luisterde. “Volg je me nog?” Zei hij. “Ja zeker.” antwoordde ik. Ik was verbijsterd. Hij was nog nooit zo open met me geweest.

“Okay, toen ik uit het leger kwam, zwierf ik wat rond, knokte me letterlijk door de dag, werd een stevige drinker en leefde op straat. Tenslotte werd ik bij de kraag gepakt door een ‘skin’ zwerver. We deelden een fles onder de brug. Hij was ouder dan ik, misschien 40-45, maar hij zag eruit alsof hij 100 was. Hij had van die rottende gele ogen en zijn neus leek op een godvergeten paarse pompoen.” Op zeker moment duwde hij me tegen een brugpijler, blies zijn stinkende adem in mijn gezicht en zei: “You get the hell out of here. Stop met jezelf zielig te vinden, ga terug naar je reservaat en ga wat doen voor je mensen.” Hij wees op zijn gezicht en zei: “Nog een jaartje aan de fles en je gaat er zo uitzien. Je zal sterven zoals ik, liggend in je eigen uitwerpselen onder een ‘blanke’ brug.”

“Deze zwerver veranderde mijn leven. Misschien had de Schepper hem gestuurd om me de les te lezen. Misschien was ik er nu aan toe. Ik liftte terug naar het reservaat. Ik stonk en was smerig, schaamde me rot, en was doodsbang. Ik had geen idee wat ik moest gaan doen, wist niet waarheen te gaan. Alles wat ik wist was dat ik was thuis gekomen.”

“Het duurde drie dagen. Ik zat zonder geld, zonder eten. Ik zat aan de kant van de weg, net binnen de reservaat grens en had waanzinnige honger. De braakneigingen volgden elkaar op en ik voelde me vreselijk zielig. Toen zag ik een auto aankomen, een oude pickup. De bestuurder stopt en zegt: “Waar ga je naartoe?” Ik antwoordde “nergens.” Hij zegt “Nu wel, je gaat met me mee naar huis, stap in.” Het was de oude man.
“Hij nam me mee naar huis, gaf me een bed, vroeg me nooit iets en behandelde me alsof ik bij hem hoorde. Ik bleef twee jaar, leefde met zijn familie en raakte van de drank af. Hij, zijn vrouw en zoon. Dat waren de beste jaren van mijn leven. Ik at met hen aan tafel, hielp hem met klusjes en hielp hem zijn zoon onderwijzen. Dit leek het meeste op ‘familie’, een gezinsleven dat ik nooit had gekend.”

Tot zover dit uittreksel. Het boek is voordelig te koop bij Amazon.com. Ook Bol.com verkoopt Kent’s boeken. Het is ook als E-book verkrijgbaar. De NANAI zal geen boeken op voorraad nemen. De verzendkosten zijn veel te hoog om het boeke voor een redelijke prijs te kunnen aanbieden.